
De Heks van de Zandkuil is een
verhaal uit het boek: "De geschiedenis van Holten"
geschreven door dhr. Brouwer.
Dit verhaal is gebruikt
als basis voor een spooktocht door het Sploder Bos.
Inmiddels is deze een paar
keer gehouden, waarbij de gasten de rol vertolken van kooplui uit
het verleden, die hun koopwaar vervoerden via de doorgaansroute,
welke ook door het Sploder Bos liep.
De gasten komen samen bij
een boerderij, waar op de deel een cirkel is gemaakt van
strobalen, waarop ze plaatsnemen.
Op de deel is het
schemerig met hier en daar een waxine-lichtje.
Hier verteld een dame het
verhaal welke ontleend is aan bovengenoemd boek.
Aan het eind van het
verhaal worden er groepen gevormd van ca. 8 personen, die onder
begeleiding van een niets zeggende monnik hun tocht maken door
het Sploder Bos.
In het bos worden ze
geconfronteerd met diverse enge, maar ook aangename
verschijnselen.
De Heks van de Zandkuil
Inleiding:
Goedenavond allemaal.
Fijn dat jullie allemaal het lef en de moed hadden om vanavond
hier te verschijnen op deze delle.
Want het is niet zomaar een verhalentocht, zoals de uitnodiging
meldde.
Nee, dit is een tocht welke zich afspeelt in een waargebeurd
verhaal.
Het verhaal welke zich afspeelt rond het Sploder Bos.
Tegenwoordig is het alsof ze niet meer bestaan, de Hé Mennekes,
dwaallichtjes in het donkere bos, de witte wieven, heksen en al
die andere gedaantes waarover hier in de streek zoveel legendes
bestaan.
Toch bestaan ze nog steeds alleen in deze tijd omzeilen we hun,
want als we op visite gaan pakken we niet meer de kortste weg
dwars door het bos maar we pakken de veilige auto en via de grote
weg zijn we snel hier op de veilige delle.
Maar als je dan op een avond als deze toch het bos in gaat kun je
met eigen ogen aanschouwen dat die Hé Mennekes, en die
dwaallichtjes toch nog bestaan.
Holten, en daarmee de Espelo liggen vlak aan de
bekende Hessenweg.
De bekende doorgaansroute van Munster naar Deventer en verderop
Amsterdam.
Langs deze weg trokken vele kooplui van Oost naar West en weer
terug om hun koopwaar aan de man te brengen.
Het waren vaak mensen met een interessante lading, ofwel hun
koopwaar, of het geld dat ze gebeurd hadden was voor menig
struikrover interessant.
Vanavond spelen jullie de rol van deze kooplui.
Veel struikrovers zijn er niet meer door het gemotoriseerde
verkeer, maar toch worden ze soms nog gesignaleerd.
Dat geldt ook voor de witte wieven.
Door al het geraas van deze moderne tijd zijn ze terug gedreven
in de resterende heidevelden en bosgebieden. Zoals b.v. de
Holterberg en het Sploder Bos.
Dit geldt ook voor Oold Mieneke; een gemeen wit wief.
Eigenlijk hoort ze thuis in het Niemendal maar door de vele
evenementen die daar georganiseerd worden, is ze regelmatig te
signaleren in haar tweede huisje "Het Sploder Bos.
Een nog rustig en ongerept stukje natuur vlak bij de deur.
De legende van Oold Mieneke is als
volgt:
Oold Mieneke was de machtigste van alle witte wieven welke
voorkwamen en voorkomen rond het Sploder Bos.
Ze ziet er angstaanjagend uit, met haar wapperende witte haren,
haar lange nagels, en haar gemene ogen doordringen elke
menselijke ziel.
Ze had maar één doel: nl. het verleiden van knappe jonge
boerenzoons en kooplui.
Het was goed als je door hard werken in je onderhoud kon
voorzien.
Als dit lukte dan deed je de wil van God en van de buren niet te
vergeten, maar liet je je verleiden door Oold Mieneke dan kreeg
je goud zoveel je kon dragen. Je was rijk en kon alles kopen.
Maar je goede ziel was je kwijt en daarvan leefde OoId Mieneke
op.
En jij, jij werd een zielig en chagrijnig manneke.
Voor jou geen plek in de hemel maar in de hel.
En zo was Oold Mieneke een gemeen wit wief, zo gemeen dat ze
eigenlijk een heks is.
Oold Mieneke verleidde op deze manier vele jonge mannen uit de
buurt.
Zo verging het ook Gait, zo'n honderd jaar geleden.
Z'n ouders hadden een klein boerderijtje aan de rand van het
Sploder Bos.
Rijk waren ze niet maar door hard werken konden ze hun hoofd
boven water houden maar ook niet meer dan dat.

Boederijtje aan de rand van de grote heide.
Gait was verliefd op Golida, een dochter van de
rijkste boer uit Espelo en omstreken.
Door Gait's eenvoudige komaf, was zij onbereikbaar voor hem.
Natuurlijk kende Gait het verhaal van het goud dat je bij Oold
Mieneke kon krijgen.
Maar daarvoor betaalde je een hoge prijs; je ziel.
Op de jaarlijkse Volksfeesten ontmoetten Gait en Golida elkaar.
...en Gait bracht haar 's avonds tot aan haar huis.
Soms staan ze stil onderweg en luisteren naar de geluiden van het
bos.
Ze rusten uit in het schijnsel van de driekwart volle maan.
Nooit had Gait geweten dat je met een meisje zoveel bepraten kon.
Het ging als vanzelf.
Gait liep met Golida mee tot haar huis. Met een paar afgemeten
passen kwam plotseling de schatrijke boer op Gait af en zei:
"Meen jij dat jij mijn dochter kunt krijgen? Zij is de
mooiste vrouw van het hele bisdom. Blijf op de arme heide of geef
mij zoveel goud als ik dragen kan".
Voordat Gait iets kan zeggen is Golida al uit het zicht
verdwenen, meegesleurd door haar vader in het huis.
Op de lange weg terug over de heide, nadert hij zijn eenvoudige
ouderlijke woning.
Hij denkt aan de rijkdommen die Golida's vader gevraagd heeft.
Hoeveel zou Oold Mieneke willen geven en welke prijs zou ze
ervoor vragen. Wonderlijk, voor hij er erg in heeft nadert ze
hem.
Voelt ze misschien dat hij minder standvastig is geworden, weet
ze dat Golida hem heeft ontmoet?
Gait schrikt als hij haar doordringende ogen ziet en zegt haastig
de spreuk op waardoor hij veilig binnen een tovercirkel staat:
| "Oold, oold Mieneke, |
| Ik gao met oe neet met. |
| Ik heb mien zinnen en minnen |
| op 'n ander mêken ezet" |
"Gait wees verstandig. Haal goud bij mij. Ik heb
genoeg, om weg te geven aan wie ik wil.
En waarom zou ik jou niet gelukkig maken?
Hoelang heb je al gewroet in het kloosterland? Ga maar mee.
Handenvol geef ik je.
Ik verkoop mijn ziel niet voor goud. .."
"Je ziel verkopen voor goud?
Als jij Golida wilt trouwen, moet je veel geld hebben.
Anders is er met haar vader niets te bereiken. Ik ken hem. Ik heb
ook hem rijk gemaakt, Gait...'
"Rijk gemaakt? Arm, doodarm heb je hem gemaakt, die norse
bullebak!
Zijn rijkdom is zijn leven, God beware me, dat ik ooit zo zou
worden. .."
"Nors? Zo is zijn aard, Gait Wie heeft beweerd, dat ik hem
door mijn milde gaven zo maakte?
Als jij mee gaat om goud te halen, kun jij toch zo blijven als je
bent?
Ga mee Gait en haal je geluk."
Oold Mieneke doet een stap in zijn richting, maar Gait zegt de
spreuk opnieuw.
| "Oold, oold Mieneke, |
| Ik gao met oe neet met. |
| Ik heb mien zinnen en minnen |
| op 'n ander mêken ezet" |
"Zonder goud krijg jij Golida nooit, Gait.
Vergeet dat niet.
Met het goud stel je haar vader tevreden en zul je voor hem een
welkome schoonzoon zijn.
Met goud koop je veel landerijen. Zeg maar, hoeveel je wilt, ik
pluk het goud elke morgen bij de opkomst van de zon en begraaf
het in mijn hol.
Niemand hoeft te weten, dat jij het van mij kreeg.
Morgenvroeg stapel ik zoveel op je rug als je dragen kunt.
Golida's vader zal tevreden zijn en hij zal zijn dochter aan jou
geven."
Het aanbod van Oold Mieneke spookte de hele week door Gait's
hoofd.
Het voorstel liet hem maar niet los.
Aan het einde van de week op een vrijdagavond nadert Gait in
gedachten verzonken de heksenkuil.
Dat wordt zijn ondergang, want daardoor zal hij de reddende
spreuk kwijt raken, dat is een vaststaande wet, als die der Meden
en Perzen.
Hij weet dat echter niet, maar Oold Mieneke wel!
Zij kan haar zoet gefluit nu laten varen en haar ware demonische
aard tonen.
Zij loert over de rand van de kuil naar haar prooi.
Gait schrikt ervan. Zij ziet er nu veel angstaanjagender uit dan
ooit tevoren.
"Gait, vanavond ben je mijn prooi, mijn klauwen zijn scherp
om je te grijpen tijdens de wilde jacht.
Dacht je zo gemakkelijk het goud te krijgen? Ha-ha-ha-ha! Ik zal
gek zijn, ik wil er plezier van beleven als ik mijn schatten
weggeef.
Het grootste plezier is voor mij de jacht op een vervallen
mensenziel.
Voor eeuwig zul je de mijne zijn, nu je vrijwillig gekomen bent.
Wist je dat niet, simpele ziel?
Als ik je de waarheid had gezegd sukkel, dan was je toch nooit
gekomen.
Maar je krijgt nog één kans om weer vrij te worden.
Daar heel in de verte eindigt mijn rijk. Als je daar bent, voor
ik je grijp, dan ben je vrij.
Loop maar snel, want een snelle jacht is mijn grootste genot.
De jacht op een verloren mensenziel, Gait..
Maar als je het gebied van de Wilgenman kunt bereiken bij de vier
eiken, dan ben je vrij.
Gait voelt zich vreselijk bedrogen en in de val gelokt.
Om op zijn vlucht een voorsprong te krijgen, schopt hij
plotseling een hoop zand in het gezicht van OoId Mieneke waardoor
ze een ogenblik verblindt wordt.
Hij gooit zijn klompen uit en begint de wedloop naar het land van
de Wilgenman en loopt in doodsnood.
Vermoeidheid schijnt hem niet te deren en telkens voert hij het
tempo nog op, tot grote woede van de heks. Zal de buit haar dan
toch ontgaan?
ZeIf zweept ze haar tempo op tot razernij. In zijn angst vergeet
Gait dat de redding zou zijn geweest in het ouderlijk huis,want
om elk huis ligt een tovercirkel als een veilige ring tegen de
macht van de witte wieven. Gait is de grenslijn genaderd, hij
ziet de vier eiken maar door vals licht, lijkt het alsof stam en
takken hem het voortgaan zullen beletten.
Hij struikelt en valt.. zijn ogen zijn met bloed doorlopen, ze
sluiten zich, hij is verloren.... Gait Iigt daar, onbeweeglijk,
als een mens, die door de bliksem is getroffen, meegesleurd naar
de kuil van OoId Mieneke.
De volgende ochtend ligt het goud opgestapeld voor hem klaar om
mee te nemen.
Vermoeid komt hij bij Golida's vader aan. Golida's vader
verwelkomt hem luidruchtig. 'Je hebt het goud en dus het geluk,
Gait.
Golida wordt je vrouw". Golida klapt van pure vreugde in
haar handen als ze Gait bij haar vader ziet staan. Ze kijkt Gait
diep in de ogen.
Dan ziet ze direct het goud in zijn armen en haar lach verstompt.
Toen je vorige week hier was, had je me niets te bieden dan je
liefde.
Dat maakte mij gelukkig.
Je hebt je dus toch gewend tot de heks.
De Wilgenman zei het me al.
Was dat je liefde Gait?
Waarom stelde je Oold Mieneke boven mij?'
Maar de liefde tussen beiden overwon, Golida zegt de strijd tegen
Oold Mieneke aan te gaan.
Op een vrijdagavond verkleedt Golida zich als Gait en gaat het
Sploder Bos in, richting de kuil van OoId Mieneke.
Ze lokt OoId Mieneke uit haar kuil en rent hard naar het veilige
gebied; naar de Wilgenman bij de vier eiken. Golida rent en
bereikt, net voordat OoId Mieneke haar klauwen uitslaat, de
Wilgenman.
Hierdoor is de ziel van Gait gered en leven ze nog lang en
gelukkig nabij het Sploder Bos.
Dit was het verhaal van Gait en Golida, maar:
U kent ze nu allemaal wel: eerst vrolijk jongens en ineens
verkering, een dure auto, het lijkt alsof het geld hun op de rug
groeit, maar inwendig zo arm als Job, zielloos.
Alle goeiigheid afgestaan in ruil voor het goud van Oold Mieneke.
In de tijd dat de Hessenweg de enige verbinding tussen Oost en
West was, stond er net buiten Holten, hier in Espelo een
klooster.
De Monniken die hier leefden en werkten lieten zich niet in met
alle gedaantes die zich 's avonds in het bos vertoonden, niet met
dwaallichten, witte wieven of wat dan ook.
Blijkbaar hadden ze door de jaren heen een soort vertrouwensband
opgebouwd.
Maar als 's avonds de mis begon, dan wisten de witte wieven e.a.
dat ze het bos voor zich alleen hadden, er was immers geen monnik
meer te bekennen.
Gelukkig hebben wij vanavond enkele geesten van deze monniken
bereid gevonden om jullie te
vergezellen en te behoeden voor al het kwaad dat zich in het bos
bevindt.
Ze zijn niet spraakzaam of beter gezegd: ze zwijgen als het graf,
maar wees niet bang voor hen, ze wijzen je de weg.
© Copyright 2001
last update 28-03-08